Wat is reine-landboeddhisme?

Beeld van Amida Buddha

Reine-landboeddhisme is van oorsprong een devotionele volksgelooftraditie met wortels die teruggaan tot in de begintijd van van Mahayana. Amida, zelf in een eerder leven de bodhisattva Dharmakara, is mede voorwerp van devotie om zijn bescherming te af te roepen, ongeveer zoals andere tradities de bodhisattva Guanyin om hulp vroegen.

Sinds mensenheugenis reciteren volgelingen van reine-landboeddhisme de ‘nembutsu’, een mantra waarmee zij aangeven toevlucht te zoeken bij Amida Boeddha, een van de vele andere boeddha’s die de rijke boeddhistische voorstellingswereld kent dan de Siddharta Gautama die bij ons vaak doorgaat voor ‘de’ Boeddha. In sommige voorstellingen zijn alle boeddha’s emanaties van een oorspronkelijke boeddhakracht. Had Gautama immers niet gezegd dat hij een een serie van voorgangers stond?

De nembutsu is een krachtige aandachtsoefening die ervoor kan zorgen dat bij gebruikers een aanhoudende meditatieve concentratie ontstaat op de ervaring van Boeddha’s nabijheid.

Het Reine Land na de dood
Verwijzingen naar het Reine Land komen in India al voor bij belangrijke boeddhistische denkers als Nagarjuna (derde eeuw) en Vasubandhu (vierde eeuw) of in teksten van latere datum die aan hen worden toegeschreven.

Het Reine Land wordt vanaf de eerste eeuwen van onze jaartelling genoemd in verschillende mahayanasutra’s. In de boeddhistische kosmologie van de zes werelden werd het Reine Land beleefd als een gezuiverd boeddhaveld rond Amida, dat zich in een hemelrijk tussen andere dergelijke boeddhavelden bevond. Als een boeddha zich in een hemelrijk kon bevinden, werd ook de mogelijkheid geschapen dat verschillende boeddha’s tegelijk vanuit hun eigen velden achtief konden zijn.

Er bestond een geloof dat mensen die zich in hun huidige wedergeboorte niet kwalificeerden voor een leven van rigoureuze toewijding aan de boeddhaweg, bijvoorbeeld als als monnik, door het toevertrouwen dat zij in Amida stelden, na hun dood naar het Reine Land zouden gaan. In sommige variaties van het reine-landboeddhisme was wel van belang dat mensen op hun sterfbed de nembutau in onverdeelde aandacht bleven prevelen; het volksgeloof meende dat Amida alleen dan vanuit zijn hoofd een krachtige lichtstraal zou emitteren waarop stervenden naar het Reine Land werden overgebracht. Daar zouden ze zich onder leiding van Amida alsnog zelf kunnen ontwikkelen als bodhisattva, in voorbereiding op een terugkeer naar de wereld van de mensen in een volgende wedergeboorte.

Sacramentele heilswaarde
Het reciteren van de naam van Amida Boeddha werd in de zesde eeuw aangeraden als meditatie-oefening door de Chinese leraar Chih-i, de stichter van de Tientai-school die overigens een belangrijke plaats toekende aan de Lotus sutra.

Meditatie-oefeningen op Amida Boeddha en het Reine Land, o.a. door middel van visualisatietechnieken, worden uitgewerkt in de Contemplatie sutra, een van de drie zogeheten Reine Land sutra’s. Dit zijn vaak mysterieuze teksten, deels bedoeld om op schrift een legitimatie te geven aan het reine-landboeddhisme temidden van andere tradities.

De Chinese boeddhist Shan-tao (613-681) geldt als de eerste die systeem bracht in de onderbouwing van de Reine Land-stroming. Hij ontwikkelt de belangrijke stelling dat de nembutsu niet zo maar een vorm van devotie is, maar dat deze praktijk op zichzelf volstaat voor bevrijding. Zo werd aan de nembutsu een sarcramentele heilswaarde in dit leven toegekend.

Het reine-landboeddhisme was eeuwenlang geen op zichzelf staande school geweest, maar een vorm van devotie en volksgeloof, die bestaande scholen echter wel beïnvloedde.

Zo vind je in de geschiedenis van het zenboeddhisme voorbeelden van de nembutsu als meditatie-oefening; ook andere vormen van vermenging met het denken van het Reine Land keren regelmatig terug in de schriftelijke nalatenschap van leraren.

Honen en Shinran
De Japans boeddhist-in-opleiding Shinran (1173-1263) wendde zich van Tendai af, gedesillusioneerd omdat hij er na lang proberen geen weg naar verlichting in had kunnen vinden. Hij sloot zich als leerling aan bij de reine-landboeddhist Honen (1133-1212). Deze was de eerste die, niet zonder heftige oppositie van de tot dusver leidende Tendaischool, bezig was het Reine Land verder uit te werken in een eigen traditie met één op zichzelf staande vorm van beoefening, de nembutau.

De hang naar één onderscheidende praktijk was een reactie op het alomvattende universalisme van Tendai, dat daarmee in de loop van zijn geschiedenis te ingewikkeld en corrupt was geworden. Zo zou ook Dogen, een tijdgenoot van Shinran, één exclusieve praktijk voor centraal stellen in zijn initiatief voor een nieuwe wederopleving van Zen in Japan. Wat ooit in vrijheid met elkaar kon interacteren, vond nu een geest van onderscheiding en verdeeldheid tegenover zich.

Hoewel Honen de schriftelijke basis legde waarop Shinran in zijn publicaties voortbouwde, was het de laatstgenoemde die de meeste aandacht trok met zijn radicale visie op mens en bevrijding, waarmee hij een stempel op het Japanse Reine-landboeddhisme drukte. De periode waarin zij opereerden was een woelige, verwarrende politiek-militaire tijd voor Japan, die een voedingsbodem vormde voor de idee dat het eeuwenoude boeddhisme leed onder verval en zijn bloeiperiode achter zich had liggen.

Door tegenwoordige shinboeddhisten wordt Shinran aangemerkt als de stichter van hun school, Jodo Shinshu. In feite was hij echter, evenals Dogen ten opzichte van Soto Zen, een inspirator, terwijl de respectievelijke scholen eerst in latere eeuwen vorm kreeg onder de leiding van verre opvolgers.

Hoewel bestreden door de geestelijke en wereldlijke macht van zijn tijd, is Shinran één van de grootste denkers van heel het boeddhisme, van een vergelijkbare betekenis als Augustinus, Thomas van Aquino en Maarten Luther voor het christendom. Shinran moet je los van zijn nazaten lezen en toetsen op zijn tijdloze merites.

Shinran Shonin

Uit het werk van Shinran
“Hoewel ik toevlucht neem tot de weg van het Reine Land, is het zwaar om een ware, oprechte geest te hebben,” schreef Shinran. “Dit zelf is vals en onzeker; het ontbreekt mij volledig aan een zuivere geest.”

En ook: “Wijs, goed en toegewijd toont ieder van ons zich naar buiten toe. Maar zo groot zijn onze hebzucht, woede, verdorvenheid en bedrog dat we in alle opzichten vol zijn van kwaadaardigheid en sluwheid.”

Hier zien we dat de boeddhanatuur als vermogen tot ontwaken in dit leven niet wordt ontkend, maar dat de toegankelijkheid ervan voor gewone mensen wel sterk wordt gerelativeerd. De weg van het Reine Land gold als de gemakkelijke, voor iedereen toegankelijke weg; de weg der wijzen (kloosterboeddhisme, langdurige meditatiediscipline, mystieke ervaringen) werd voor slechts een enkeling begaanbaar geacht. Voor de velen voor wie Shinran in dit leven boeddhanatuurrealisatie onbereikbaar overkwam, formuleert hij een alternatief, dat van de shinjin (zie hieronder).

Shinran maakte bovendien onderscheid tussen wat hij noemde ‘zelfkracht’ (jiriki) en ‘anderkracht’ (tariki). Mensen verlangen naar bevrijding maar zijn, op een hoogstenkele uitzondering na, met hun blinde passies niet in staat zichzelf aan de haren uit het moeras te trekken, geloofde hij. Zijn volgelingen deden dan ook niet aan meditatie (een zelfkrachttechniek, dachten zij).

Alleen de weg van diep toevertrouwen aan het mededogen van Amida Boeddha, geeft volgens Shinran uitzicht op een vorm van bevrijding. Het inzicht dat zich ontwikkelt uit de combinatie van geloof en toevertrouwen, en acceptatie van de mogelijkheden en onmogelijkheden van het mensenleven, noemde Shinran ‘shinjin’, een toegangspoort tot een soort maximaal haalbare bevrijdingservaring in dit leven. De nembutsu was bij Shinran dan ook geen methode van zelfontwikkeling, maar uitsluitend een vorm van dankzegging aan Amida en zijn compassie.

De algemene boeddhistische opvatting dat niets van zichzelf bestaat, werkt Shinran uit in zijn voorstelling van de anderkracht. Zelfkracht is het in de regel vruchteloze pogen te werken aan de eigen bevrijding. De meeste mensen zijn hiertoe door hun positie in het leven om te beginnen al niet in de gelegenheid. De erkenning dat alles aan ons ‘van het andere’ is, maakt ons ontvankelijk om ons toe te vertrouwen aan de som van al dat andere, de anderkracht, die in wezen niet anders is dan het mededogen van Amida Boeddha als ‘de Ander’. (Of vinden we – een eigen inval van Taigu – in de anderkracht een spoor terug van de pratitya samutpada, de vroegboeddhistische gedachte aan een voorwaardelijk ontstaan, een zo’n onontwarbare kluwen van wederkerige oorzakelijkheid, dat het alleen Gautama gelukte het geheim hiervan in de nacht van zijn verliching te doorgronden?).

Geloof en overgave
Zelfkracht staat alleen oppervlakkig gezien tegenover anderkracht. In werkelijkheid leven wij volgens Shinran geheel en al in de anderkracht en is zelfkracht de bubbel waarin wij onszelf af te sluiten door vast te houden aan wat in zijn ‘leegte’ geen bestaan van zichzelf heeft. Geloof en overgave (in diep toevertrouwen) zijn voor Shinran dan ook essentiële voorwaarden om zich tot een staat van shinjin te ontwikkelen. Christelijke theologen in de twintigste eeuw zijn in Shinrans werk paralellen gaan zien met de geloofs- en genadeleer van kerkhervormer Maarten Luther.

Wie gelooft en zich toevertrouwt, ontdekt in het voetspoor van vele zenmeesters, dat het Reine Land niet (of niet alleen) ‘daar’ is, aan gene zijde van een ogenschijnlijke dood, maar ook hier, tastbaar en wel, op deze plaats, in het huidige ogenblik.

Er zijn boeddhisten die zich afvragen of het boeddhisme van Shin nog wel echt boeddhisme is. Amida als God, het Reine Land als de hemel van gene zijde van het leven in de dood: er zijn boeddhisten die zover zijn gegaan. Anderzijds zijn dit voorbeelden van persoonlijke uitwassen. De credentials van mensen als Shinran daarentegen zijn loepzuiver Mahayana en de praktijk van zijn leven evenzeer.

Jodo Shinshu, de voornaamste school binnen het zogeheten shinboeddhisme, is in het hedendaagse Japan de grootste boeddhistische stroming. In vergelijking met Zen is in het Westen het aantal Reine Land gemeenschappen echter zeer beperkt. In een historische speling van het lot heeft Zen hier wel volop wortel weten te schieten en het (complementaire) Reine Land niet of nauwelijks.

Gemengde praktijk
Er is echter meer Reine Land dan de adaptaties van Honen, Shinran en de latere Shinscholen.

In de zeventiende eeuw vestigde zich een groep Chinese zenmonniken in Japan die de praktijken van Rinzai (de school van Linji) vermengden met die van de nembutsu. Uit deze beweging ontwikkelde zich de Japanse school van Obaku Zen, een school van gemengde praktijk van Zen en Reine Land, die zich in het land een plaats verwierf tussen de bestaande zenscholen van Soto en Rinzai.

Sinds Japanse boeddhistische tradities in de middeleeuwen ieder een focus leerden kennen op één enkel programmatisch bevrijdingsparadigma, heeft Zen het reine-landboeddhisme in de termen van de eigen voorstellingswereld geïnterpreteerd. Zo was Amida Boeddha de duiding die het gewone volk gaf aan het meer abstracte begrip ‘boeddhanatuur’, aldus de Japanse Rinzai-meester Bassui (veertiende eeuw). Toen Obaku zich uit China met zijn gemengde praktijk aandiende, spraken de bestaande zenscholen spottend over ‘Nembutsu Zen’.

In China wordt Reine-landboeddhisme echter nog steeds beoefend in een gemengde praktijk met Zen en andere tradities.

Moderne interpretaties
In het Westen heeft de eigentijdse Zen- en Reine-landboeddhist David Brazier zijn (onafhankelijke) Amida Orde gesticht, die werkt met een gemengde praktijk. De extreme religieuze interpretatie die Shinran en shinboeddhisten aan de nembutsu toekennen, vind je bij Brazier niet terug. Goochelend met de geschiedenis stelt Brazier Siddharta Gautama, de ‘historische Boeddha’, (zonder enig spoor van bewijs) wel voor als iemand die ten diepste een Reine-landboodschap had.

Een moderne interpretatie van het Reine-landboeddhisme, ontdaan van alle sektarisme en obscurantisme, is eveneens te vinden bij Thich Nhat Hanh. Zijn boeddha is een mindfulnessboeddha. Hij waardeert de nembutsu als vorm van aandachtsoefening die uitmondt in mindfulness en situeert zoals veel zenboeddhisten het Reine Land in deze wereld, als gelukservaring voor wie voldoende lijden weet te transformeren. Zijn interpretatie van het Reine Land is bovendien interconfessioneel, boeddhistisch zowel als christelijk.

Door de westerse wereld heen zijn er de nodige lokale groepen die zonder affiliatie met enige Reine-landschool proberen een gemengde praktijk van Zen en Reine Land totstand te brengen.

In het literatuuroverzicht op de volgende pagina staan links naar literatuur over de geschiedenis van het Reine Land en naar eigentijdse initiatieven op het gebied van een gecombineerde beoefening van Zen en Reine Land. Beide hebben elkaar veel te zeggen en het is jammer dat het Japanse Zen in een exclusieve vorm naar het westen is komen overwaaien, mede door toedoen van de Japanse zenleraren die zich bewust tot deze vorm beperkten; hierdoor zijn de voordelen van een gemengde praktijk helaas niet gekend en vanzelfsprekend geworden.

Naar literatuuroverzicht