Tussen mannenbroeders en kleine luyden

Meer dan dertig jaar geleden legde ik de eerste hand aan de doctoraalscriptie waarop ik zou afstuderen. Het onderwerp: de voorgeschiedenis, de oprichting in 1872 en de aanvangsperiode van het antirevolutionaire dagblad De Standaard.

In de literatuur gold en geldt deze krant als het eerste en invloedrijkste partijdagblad van Nederland, het staatkundig orgaan van de antirevolutionairen onder leiding van de gereformeerde voorman en organisatorische duizendpoot Abraham Kuyper (1837-1920).

In deze hoedanigheid was de krant instrumenteel in de emancipatie van het gereformeerde volksdeel en de omvorming ervan tot een van de maatschappelijke silo’s op weg naar de periode van de verzuiling. In de openingsjaren van de twintigste eeuw fungeerde Kuyper een kabinetsperiode lang als minister-president van Nederland.

Geschiedenis was ik gaan studeren omdat rechten en politicologie na de introductiedagen van de universiteit waren afgevallen. Het was een intuïtieve keuze voor een vak dat ik in de hogere klassen van het gymnasium had leren kennen door de inspirerende lessen van een bevlogen geschiedenisdocent. Ik had geen idee wat ik er eigenlijk mee wilde ‘worden’.

Dat gevoel was nog sterker na mijn kandidaats. Ik treuzelde met mijn doctoraalstudie en de keuze van een specialisatie. Omwille van de variatie haalde ik eerst maar eens mijn eerstegraads lesbevoegdheid. En toen deed zich bij toeval een buitenkansje voor: na een schrijftest kon ik bij het Elsevier-concern in dienst treden als journalist-in-opleiding.

Twee jaar lang stond mijn studie op een laag pitje. Het had niet veel gescheeld of ik had mijn studie definitief laten rusten en was vast journalist geworden. Toch heb ik de draad van mijn studie weer opgepakt; in plaats van een studiebeurs financierde ik mezelf met bijverdiensten als freelancer voor NRC, Trouw, Elsevier en andere publicaties.

Na het werken was mijn pen met het journalistieke bedrijf meegegroeid. Ik had wortel geschoten in de wereld buiten de muren van de universiteit en was enigszins uitgegroeid boven het student-zijn. Hoe kon ik in vredesnaam een eind breien aan mijn studie? Een bevriende hoogleraar fluisterde mij in: “verleg je koers naar de persgeschiedenis, dat sluit mooi aan bij je werkervaring.” Dit was een welkome suggestie in een tijd dat ik haast begon te krijgen, ook omdat het ministerie van defensie achter mij aanzat voor het vervullen van mijn militaire dienstplicht, die nog volop bestond.

Tijdens een werkcollege over de ontwikkeling van de confessionele dagbladpers in de negentiende eeuw was ik bij toeval gestuit op een berg archiefmateriaal over De Standaard, waarvan de geschiedenis vreemd genoeg nog niet gedetailleerd was uitgeplozen. De Standaard was de voorloper van het naoorlogse, bovengrondse dagblad Trouw. Ik besloot de aanvangsgeschiedenis van De Standaard tot onderwerp te maken van mijn afstudeerscriptie.

Het onderzoek verliep met horten en stoten, omdat ik tegelijkertijd broodschrijver was. Enkele jaren lang bewoog ik mij als een relatieve outsider in de wereld van mannenbroeders en kleine luyden; met zijn gezin was mijn vader op middelbare-schoolleeftijd van het gereformeerdendom overgegaan op het rooms-katholicisme, en in deze laatste geloofstraditie was ik opgevoed.

In zekere zin was ik dus een ‘vreemde in Jeruzalem’. Het onderwerp van studie kon ik voor mijn gevoel echter zowel met een gezonde dosis distantie als een zekere mate van verre empathie benaderen, al had een oprechte verwondering over de gereformeerde verwikkelingen in de negentiende eeuw de boventoon, mede omdat ik op de Vrije Universiteit verschillende geestelijke nazaten van Kuyper tot mijn beste vrienden mocht rekenen. Wat was het dat hen in geloof en maatschappijbeschouwing bewoog? Waar kwam dat gedachtegoed vandaan?

In 1988 lag er opeens een ongewoon dikke scriptie op tafel, een boekwerk met 243 genummerde bladzijden in regelafstand één. Tegen de gewoontes in legde ik het in één keer aan de begeleidende docenten voor, zonder eerst hoofdstuk voor hoofdstuk met hen te hebben besproken. Durf Den Strijd gaf ik het werkstuk als titel mee; dit was een tijdlang de reclameslogan van de antirevolutionaire krant en de afkorting DDS stond ook voor Dagblad De Standaard.

Nu, ruim dertig jaar later, vraagt een wetenschappelijk onderzoeker om een exemplaar van mijn scriptie. Deze en een aantal andere van mijn publicaties over mijn onderzoek, worden genoemd in de wetenschappelijke literatuur over Kuyper en de protestants-christelijke persgeschiedenis, maar de scriptie is uit de bibliotheekcollecties verdwenen, ‘geruimd’, zoals dat gaat.

Omdat ik na mijn afstuderen ben doorgegaan met mijn onderzoek met het oog op een (later afgebroken) promotie op de geschiedenis van De Standaard, is de scriptie ingehaald door een omvangrijker manuscript. Het is deze laatste tekst die ik in een tijdrovend proces heb gedigitaliseerd, als eerste stap op weg naar de uitgave van een boek, gebaseerd op een actualisering van het manuscript van destijds en enig nader onderzoek; de aanpassingen licht ik toe in de inleiding van het boek.

Na een aanpassingsproces van twee jaar is mijn boek in november 2018 verschenen onder de titel De mannen achter De Standaard: geschiedenis van een antirevokutionair dagblad. Via deze link kun je het boek inzien en kopen of downloaden.

Auteur: Jules Prast

Historicus, auteur, columnist en zenboeddhist. Werkte o.a. als hoofd persvoorlichting bij ABN AMRO Bank NV en als groepsdirecteur corporate communicatie bij Koninklijke Philips Electronics NV. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als gevolg van de zeldzame chronische ontstekingsziekte sarcoïdose (ziekte van Besnier Boeck).

Geef een reactie